In de zomer van 1999 verblijft voor het eerst een gezin op het terrein van de
Willem Arntsz Hoeve, de kunstaars Fransje Killaars en Roy Villevoye met
hun dochtertje Céline.
Fransje Killaars raakte gefascineerd door de enorme rookverslaving van
veel patiënten en begeleiders. Zij vroeg hun alle sigarettenpeuken te
bewaren en aan haar af te staan. Van de duizenden peuken reeg zij
samen met hen een groot gordijn als collectief kunstwerk.
Roy Villevoye's projecten van de laatste jaren worden bepaald door zijn
bezoeken aan Asmat, Nieuw-Guinea.
Daar wordt grote ceremoniële en emotionele betekenis gehecht aan
bomen, waar zij prachtige beelden uit hakken.
Villevoye onderkent de therapeutische betekenis die kan worden ontleend
aan het bewerken van hout: het kerven van je naam, het kerven van tekens
die een hoogst- persoonlijke of juist universele betekenis hebben. Hij vroeg
een aantal patiënten om in bomen die zich op het terrein bevinden tekens te
kerven. Villevoye documenteerde dit project in een boek getiteld 'Kerven'.