
















Verslag HET VIJFDE SEIZOEN
Jean Bernard Koeman en Cora van der Voort
mei-juni-juli 2006
Het paviljoen van het Vijfde Seizoen is een geschenk voor de kunstenaar,
een architectonisch wonder van laat-modernisme tussen de berken en
elzenbomen. De dun-metalen spijlen van de vensters filteren het licht dat
deze kamers bestrijkt zo hard en helder als glas.
Ik betrok dit wonder in de heetste zomer van de eeuw; in deze maanden
werd de grond uiteindelijk zo gortdroog dat de bladeren van de kleinere
bomen rondom het paviljoen eerst bruin kleurden en vervolgens afvielen;
een vreemd vervroegde herfst. Een vijfde jaargetijde.
Het werd de zomer van Zidane, vechtende eekhoorns, eindeloos
blikkerende zon, Libanon, een ree dat door diezelfde vensters naar binnen
kijkt en vooral de ontmoeting met de bewoners van de heterotopie (*1) van
de terreinen van Altrecht.
En zo werd het geschenk van het paviljoen ook een mooie maar complexe
taak; de zoektocht naar een relevante interactie tussen de kunst en de
psychiatrie. Er waren al heel wat mooie dingen gebeurd in de korte
geschiedenis van het paviljoen. Na een moeizaam begin besloot ik toch
datgene te proberen wat ik het beste kan; het infiltreren en opnieuw
vormgeven van een ruimte, met medeneming van de maat en de betekenis
van die ruimte. Het implanteren van een Mental architecture.
Ik zocht contact met de medewerkers van Roosenburg, een afdeling voor
forensische psychiatrie en een unit voor dubbel gediagnosticeerde
patiënten.
Samen besloten we dat ik via gesprekken en workshops met bewoners de
inhoud van een grote wandtekening zou verzamelen. En zo, met vallen en
opstaan, ontstond langzamerhand het extract dat uiteindelijk de
wandtekening is geworden. Roosenburg-bewoners; op het eerste gezicht
gewone mannen, stoer maar gewond. Zelfzeker en angstig.
Levensverhalen. Verslaving. De klassieke katharsis (*2). Er doemen
woorden op, zinnen, beelden. Een neushoorn die twijfelt. Een oneindig
gebouw. Sommige woorden worden dikwijls herhaald; anders, als, toch…
Ik zei; stel je voor dat er een apparaat bestaat dat antwoord kan geven op
alle vragen waarvan we niet weten wat we ermee aan moeten. Iemand zei;
dat is de zoekmachine in onszelf. Een ander verhaalt over de tijd dat alles
blauw werd. Iemand vraagt; wat is een katapult zonder elastiek? Een ander
is op zoek naar Eric en het doodgeslagen insectenboek. Ik zei; ik ben geen
therapeut; ik kom iets van jullie halen. Hij; ja, ik ben gekke Henkie niet. Dan
werd er iemand moe. Het leven als arena. Apparaten opladen. Of we
gingen gitaar spelen; en heel hard zingen. De klassieker 'Pablo Picasso
(was never called an asshole)' bijvoorbeeld.
En zo ontstond een selectie van letters en zinnen en woorden, titels van
eerdere werken die een nieuwe betekenis krijgen, afbeeldingen van
apparaten, gebouwen, blauwdrukken, verbindingen, poëziecitaten. Ik
bouwde een grote wand, schilderde die koningsblauw, plaatste die in de
centrale Roosenburg-gang en begon te tekenen. In zilverstift; dat is er wel
en het is er niet, het hangt af van waar je staat. Een veelheid aan
associaties, onverbloemde waarheid, rauwe werkelijkheid, hier en daar wat
absurdisme, hoop en wanhoop.
Misschien wel meer betekenis dan vorm. Een teveel aan betekenissen, als
een vol hoofd. Niet in één keer te overzien. Met de verwachting dat de
Roosenburg-bewoner zich kan verpozen, ergeren, herinneren, herkennen.
En kan terugkeren. Dit is wat overblijft voor onbepaalde tijd. Een distillaat van
troost en verwondering. Ik zocht nog het meest naar een credo van Campert
waar ik steeds weer aan moest denken; 'Ik geloof in een rivier die stroomt
van zee naar de bergen. Ik vraag van poëzie niets meer dan die rivier in
kaart te brengen'.
Jean Bernard Koeman, Den Dolder, juli 2006
*1 Volgens Michel Foucault is een heterotopie een bemiddelingsruimte; een ruimte die
'anders' is dan de gewone sociale ruimte en waarin onze samenleving het afwijkende
onderbrengt; de niet-gezonde, de mis-dadiger, de geestes-zieke.
Een plaats waar het ongewenste kan worden afgescheiden om zo wat overblijft de
illusie van de orde te schenken….
*2 De Franse criticus Jean Baudrillard karakteriseerde de moderne 'schizo' als iemand
die niet zozeer vervreemd is van het werkelijke en de werkelijkheid, maar eerder
overweldigd wordt door de dingen, hun nabijheid en directheid en hun onverbiddellijke
aanwezigheid.