Ik weet niet of het door de sneeuw kwam of dat het mij
hoe dan ook was opgevallen als hij niet met een wit
laagje bedekt zou zijn, maar aan de rand van het terrein
lag een enorme overgroeide hoop aarde. Te steil om door
de ijstijd te zijn opgeworpen maar te groot voor een
composthoop. In de opstartperiode was ik vooral gevoelig
voor, in mijn ogen, wonderlijke objecten op het terrein. Zo
waren er de vele huisjes die meestal één of twee zware
stalen blinde deuren bezaten en waarschijnlijk geen
andere functie hebben dan elektra in goede banen te
leiden of andere zaken die onder de oppervlakte van het
terrein spelen te kanaliseren. Ook het geluid van de
langsrazende intercity’s dat door de kale bomen een
onheilspellend en fascinerend geluidseffect gaf was
indrukwekkend, maar die berg trok toch het meest mijn
aandacht.
Na de eerste weken veranderde mijn focus van het
landschap van de Hoeve naar de bewoners, die er in ruigte
en mysterie niet voor onder deden. Eerder dan ik had
durven vermoeden kwam de eerste brief en velen volgden
nadat ik met behulp van twee bewoners van afdeling Wier,
van een op het terrein aangetroffen archiefkast een
sculpturale en (al zeg ik het zelf) ingenieuze brievenbus
maakte.
Wie mij een brief zond kreeg er een terug, zo was de
regel. Hiertoe ontwierp ik een huisstijl. Ik maakte van
plaktetters en ruitjespapier zowel het briefpapier als een
ansichtkaart met de tekst: "Een groet uit Den Dolder."
Deze ansichtkaarten werden uitgedeeld, zodat de drempel
om te reageren werd verlaagd.
De meest intensieve correspondentie ontstond met een
gedetineerde patiënt in Roosenburg. Hij tekent en maakt
kleine sculpturen en kwam elke week langs om zijn nieuwe
werk te laten zien. Hij vroeg mij zeer 'to the point' hoe hij
zijn werk meer 'kunst' kon laten zijn. Dit gaf stof voor een
flink aantal brieven en elke week een uurtje theorie. Voor
beiden.