In de kunstgeschiedenis behoort het 'historieschilderen' tot de meest
edele discipline.
Het 'naschilderen' van een landschap, een portret of een stilleven kon
knap en vakkundig zijn, maar het uit het hoofd opzetten van een
verhalend tafereel werd veel hoger aangeslagen. De Bijbel,
mythologische verhalen en boeken als de 'Metamorphoses' van Ovidius
waren belangrijke bronnen voor dit soort schilderijen, In latere tijden
voegden de surrealisten daar (absurdistische) droombeelden aan toe.
Lotte van Lieshout en Christel Ooms voegen zich in deze traditie door
'verhalen' die zich in de schemerzones van het hoofd ophouden tastbaar
te maken middels schilderijen (Van Lieshout) en foto's (Ooms). Voor
beiden was de omgeving van de Willem Arntz Hoeve een rijke bron om
uit te putten. In de tuin van Het Vijfde Seizoen bouwden zij een hut als
ontmoetingsplaats om verhalen op te doen.
Uit de contacten met bewoners op de Hoeve ontstonden beelden die
zowel een concrete vertaling van die bewonersverhalen zijn - zoals
de psychoses van één van hen - als de reflectie van eigen fantasieën
op basis van ervaringen op het terrein.
Lotte van Lieshout maakte wandelingen met bewoner Volkert en kreeg
daarbij een inkijk in zijn belevingswereld, om die vervolgens met
hallucinante kleuren te schilderen in eigen verzonnen composities.
Volkert zelf komt daar als protagonist ook in terug, al dan niet verkleed
in uitrustingen die bij zijn verhalen horen.
Christel Ooms werd gefascineerd door vreemdsoortige gebeurtenissen
die ze op het terrein waarnam. Met deze 'halve feiten' gaat ze in haar
geënsceneerde foto's op de loop om er hele fantasieën van te maken.
De taferelen van Van Lieshout en Ooms weerspiegelen angsten en
fascinaties, wortelen in de werkelijkheid, maar vormen uiteindelijk steeds
een parallelle wereld, zoals het hoort bij 'verhalen in het hoofd'.